|
Stadsvorming en ontwikkeling
Over de ouderdom van Sneek bestaat niet voldoende duidelijkheid
maar in elk geval is er in de 11de eeuw sprake van eenvoudige stedevorming
op de terp, waarop de huidige Martini- of Grote kerk verrijst. Die
terp werd opgeworpen bij een knooppunt van waterwegen en op de grens
van het kleigebied van Westergo en het ten zuiden daarvan gelegen
lage veengebied. In de 13e en de 14de eeuw ontwikkelde de stad zich
verder. Daarbij waren de kerkterp, de Hemdijk die het binnenwater
uit het zuiden moest keren, natuurlijke waterlopen als de Woudvaart
en haar vertakkingen de Geeuw en het Grootzand en tot slot de aangelegde
Neltjeszijl de vier belangrijkste elementen. De zijl vormde een
belangrijke schakel in de handelsroute naar het noorden en was de
doorgang in de Hemdijk die tot nu toe te herkennen valt in het beloop
van Oosterdijk, Wijde- en Nauwe Noorderhorne.
| Door het opbloeien van de handel groeide Sneek
uit en reeds aan het eind van de 13de eeuw werd de bebouwing
omringd door een grotendeels gegraven stadsgracht (1294?). Deze
eerste verdedigingsgracht is in het westen en noorden terug
te vinden in de nog bestaande stadsgracht (Westersingel en Prins
Hendrikkade). Het zuidelijk deel was het huidige Hoogend en
het oostelijk deel de Singel. Het toenemend belang van Sneek
liep in 1456 uit op de codificatie van het stadsrecht in het
zogenaamde Stadboek. |
|
Friesland werd in deze tijd geteisterd door gruwelijke partijtwisten.
Het Schieringer Sneek voelde de noodzaak de stad beter te kunnen
verdedigen tegen de Vetkopers die de stad Groningen hadden ingeschakeld
en Oostergo reeds beheersten. De kroniekschrijver Petrus van Thabor
van Tirns schrijft: " Int iaar ons Heren MCCCC ende XCII doe maecten
ende graefden Snekers die nye bolwerck, om anxte van den Sakser
Groninghers". Door het binnen de grachten trekken van de twee stadsuitbreidingen
in het zuiden en het zuidoosten kreeg de stad in 1492 haar merkwaardige
hartvormige omtrek. Die stadsuitbreidingen waren de Nieuwstad ten
zuiden van het Hoogend en het gebied ten oosten van de Singel langs
de Oosterdijk en Kleinzand. Op enige pre-industriële voorzieningen
na kwam er tot 1881 nauwelijks meer bebouwing buiten de stadsgracht
tot stand.
Sneek in de 18de en 19de eeuw
Sneek ontwikkelde zich in de 18de en in
de 19de eeuw dankzij de goede verbindingen over water tot een
belangrijk centrum van handel en nijverheid. Vooral de zuivelhandel
(met als centrum de stadswaag) bloeide. De Friese Zuidwesthoek
oriënteerde zich, wat betreft zakelijke dienstverlening, zeer
op Sneek. Toonaangevende kooplieden, maar ook ambachtslieden
en winkeliers bouwden hun woon- en bedrijfspanden vooral langs
de binnengrachten. In de 17de eeuw en in het begin van de 18de
eeuw hadden die panden nog topgevels (trapgevels, klokgevels,
tuitgevels), maar in de tweede helft van de 18de eeuw kwamen
de neo-classistische lijstgevels in zwang. Ze bepalen tot nu
toe het Sneker stadsbeeld. Het Kleinzand werd een soort Sneker
"Herengracht". |
|
De Sneker stadsarchitect Auke Bruinsma (1766-1819) ontwierp veel
nog bestaande deftige gevels, evenals Pieter Jentjes Rollema (1785-1848).
In de tweede helft van de 19de eeuw bepaalde de architect Albert
Breunissen Troost (1832-1900) het Sneker stadsbeeld, eerst met gebouwen
en neo-classistische en later in eclectische stijl. De in neo-gotische
en neo-renaissance-stijl ontwerpende Nicolaas Molenaar (1850-1930)
voerde veel opdrachten uit voor de uit Westfalen naar Sneek gekomen
textielhandelaren, de zogenaamde "lapkepoepen", zoals de Brenninkmeijers.
Aan het einde van de 19de eeuw werd Sneek berucht vanwege de erbarmelijke
woonomstandigheden van de arbeidende stand: het groeiende proletariaat
moest huisvesting vinden in kamerwoninkjes, die gebouwd werden in
stegen en op binnenterreinen tussen en achter de grote huizen.
Monumentale gebouwen
| De eeuwen door bleef het stadsbeeld
bepaald door de middeleeuwse Martinikerk, die in de jaren 1681-1682,
na de rampzalige instorting van het imposante westwerk met torens,
werd vernieuwd als "centraalbouw" en later nog vele wijzigingen
onderging. De in Sneek talrijke Doopsgezinden lieten hun schuilkerk
aan de Singel in 1842 een monumentaal aanzien geven. De ook
talrijke Rooms-katholieken kregen in 1871 als opvolger van hun
schuilkerk een prachtig neogotisch kerkgebouw naar ontwerp van
P.J. H. Cuypers, maar de voor de kerk ontworpen toren kwam niet
tot stand. |
|
Enkele middeleeuwse stadsstinzen werden afgebroken of zodanig gewijzigd
dat ze nauwelijks nog herkenbaar zijn. Het 16de-eeuwse stadhuis
kreeg in 1762, na de verhoging met een verdieping, uitwendige en
inwendige rijke rococoversieringen. De stichting van het gerechtsgebouw
in 1839 leverde een verrijking op van het stadsbeeld. Zoals in 1904
dat ook het geval was met het administratiegebouw van het Old Burger
Weeshuis. Het stadsbeeld werd geschonden door de demping van de
singelgracht in 1953. Andere voorgenomen grachtdempingen vonden
geen doorgang.
Waterpoort
Een van Nederlands meest bekende "Monumenten van Geschiedenis
en Kunst" is de Waterpoort. Dit poortgebouw uit 1613 is het
enige restant van de Sneker vestingwerken uit de 16de eeuw.
In 1875 dreigde de poort te worden gesloopt omdat het gebouw
de doorvaart van stoomboten belemmerde. Na veel protesten volgde
evenwel in 1878 restauratie. |
|
|